Raadgevend comité voor de pensioensector

Historiek

1994-2004: Het comité viert zijn 10de verjaardag

Woord van de voorzitter

In België ontvangen zo'n twee miljoen vijfhonderdduizend personen een wettelijk rust- of overlevingspensioen.
Twee miljoen vijfhonderdduizend personen dus voor wie het wettelijke rust- of overlevingspensioen de belangrijkste bron van inkomsten is. Dat is bijna 20 % van de bevolking. Het is de sterkst groeiende sociale groep.
Niettegenstaande de stijging van de levensverwachting aan de basis ligt van deze situatie – wat heel goed is – geeft ze wel aanleiding tot een zekere bezorgdheid voor de toekomst.

De gepensioneerdenorganisaties vertegenwoordigd in het Comité zijn in de meeste gevallen, maar niet uitsluitend, ontstaan uit politieke, vakbonds- of ziekenfondsorganisaties. Hun eisen liggen niet in de lijn van een corporatistisch perspectief, ze willen enkel de belangen van de bejaarden van vandaag en morgen verdedigen… ze verdedigen dus de belangen van ons allemaal.
De begrippen inter- en intragenerationele solidariteit staan bij hen dan ook centraal. Een belangrijk debatonderwerp van de gepensioneerdenorganisaties is de sociale zekerheid en de financiering ervan, wat zeker nog bij het Comité ter tafel komt.

Zoals bepaald in het koninklijk besluit van 5 oktober 1994 bestaat de rol van het Comité onder andere in het uitbrengen van adviezen op eigen initiatief of op vraag van de Minister bevoegd voor Pensioenen, het bespreken van de beleidsverklaring van de Minister van Pensioenen, het evalueren van de kwaliteit van de dienstverlening door de pensioenadministraties ten behoeve van de gepensioneerden, enz. In de komende weken en maanden zal de rol van de gepensioneerdenorganisaties doorslaggevend zijn in de debatten die van start gaan in het kader van het einde van de loopbaan. Waarom?
Omdat de voorstellen en de verklaringen die de evolutie van de lonen op basis van de anciënniteit of de leeftijd rechtstreeks in vraag stellen, ook onrechtstreeks een invloed hebben op de pensioenen:

  1. door het loon op basis waarvan het pensioen zal worden berekend te verlagen
  2. door de inning van de bijdragen op minder hoge lonen, zullen ook de inkomsten lager zijn (we mogen niet vergeten dat we in een repartitiesysteem zitten).

In de herfst van 2006, wanneer het mechanisme van de welvaartsaanpassing, uitgedacht tijdens de Ministerraad van Oostende, het bedrag van de welvaartsverhoging van de pensioenen zal bepaald hebben, moet ook gezorgd worden voor het nodige budget en mag het mechanisme niet worden vervormd in functie hiervan. Met andere woorden, indien het budget van de sociale zekerheid niet ernstig wordt geherfinancierd, zullen de pensioenen eens te meer geschaad worden.

Indien niet snel verantwoordelijkheden worden opgenomen en indien geen werk wordt gemaakt van de concrete invoering van een ernstig alternatief socialezekerheidssysteem, zullen in het licht van de steeds dalende inkomsten een steeds groter deel van de SENIOREN in de (kans)armoede terechtkomen. Hoe ouder men wordt, hoe groter het risico. Bovendien blijft het aantal "geïsoleerde" gepensioneerden onophoudelijk toenemen…

De tweede pensioenpijler zal op dit vlak geen oplossingen brengen. Enerzijds genieten er te weinig personen van het systeem – of gaat het vaak om belachelijk lage bedragen. Anderzijds zou deze pijler op 1 januari 2005 VERPLICHT worden gemaakt voor alle werknemers, zoals in Frankrijk. Dit zou pas ten vroegste tussen 2040 en 2045 tot echte resultaten kunnen gaan leiden, voor de personen die dan met pensioen GAAN. Voor de situatie van de huidige gepensioneerden en de huidige en toekomstige steuntrekkers zou dit dus geen oplossing bieden.

Vandaag heeft men een "welvaart" toegekend aan het kapitaal en aan de ondernemingen door de toekenning van kortingen ten nadele van de financiering van de sociale zekerheid!
Zou men niet kunnen loskomen van deze vorm van EENZIJDIG DENKEN die erin bestaat eerst een budget vast te stellen in plaats van eerst de behoeften te bepalen en daarna op zoek te gaan naar de middelen om de beoogde doelstelling te verwezenlijken? Zou het dom zijn om het minimumpensioen vast te stellen in functie van de verblijfskosten in een rusthuis?

Het Raadgevend comité voor de pensioensector is de WEG EN DE PLAATS waarop ALLE gepensioneerden van HEEL België elkaar ontmoeten.

Na 10 jaar is het tijd om de balans op te maken, de opdrachten te herbekijken en het bevoegdheidsgebied te verruimen, dat niet beperkt zou blijven tot de pensioenen, maar uitgebreid zou worden tot de behoeften die met het pensioen moeten worden bekostigd. Dat wil zeggen: huisvesting, voeding, verzorging, ontspanning, enz. Het Comité zou zeker DE PLAATS zijn om het bejaardenbeleid te COÖRDINEREN en er ADVIEZEN over UIT TE BRENGEN. Een eenvoudige wijziging van het koninklijk besluit van 5 oktober 1994 en een aanpassing van het budget zouden volstaan. De structuur bestaat en werkt, het volstaat om hem te verbeteren.

Luc JANSEN, Voorzitter van het Raadgevend comité voor de pensioensector

 

Woord van de ondervoorzitter

Als we kijken waarmee het Raadgevend comité voor de pensioensector zich de laatste tien jaar heeft beziggehouden, stellen we vast dat de meeste problemen, thema's en centrale discussiepunten werden aangesneden in de uiteenzettingen, de debatten en de adviezen.
Zo werden er adviezen uitgebracht en discussies gevoerd over:

  • De solidariteitsbijdrage voor de gepensioneerden
  • De hervormingen en wijzigingen van de pensioenregelingen
  • Het halftijds pensioen
  • De toegelaten arbeid
  • De aanvullende pensioenen of de tweede pijler
  • De hervorming van het gewaarborgd inkomen voor ouderen of de inkomensgarantie voor ouderen
  • De welvaartsaanpassing van de pensioenen
  • Het Strategisch verslag inzake Pensioenen
  • Het toekomstige beleid inzake pensioenen en de inkomensgarantie voor ouderen
  • De recente regeringsmaatregelen op het vlak van pensioenen

Andere onderwerpen zijn het voorwerp van discussies geweest: het Zilverfonds, de mogelijkheden voor de uitbetaling van de pensioenen, het handvest van de sociaal verzekerde, de administratieve vereenvoudiging, de gevolgen van de fiscale hervorming voor de pensioenen aan het gezinsbedrag, de wijze van uitbetaling van de pensioenen.

Er werden ook vijf politieke nota's van de Minister van Pensioenen besproken en de Ombudsdienst pensioenen maakte zes verslagen met betrekking tot haar activiteiten.

Tot slot vermelden we ook nog dat het Raadgevend Comité in 2001 een conferentie heeft georganiseerd rond het thema "Hebben de gepensioneerden met betrekking tot hun pensioen nog recht van spreken?"

Bij de oprichting van het Raadgevend comité had Minister Colla verklaard dat de verwachtingen al dan niet zouden kunnen worden ingelost in functie van twee voorwaarden:

  • de bereidheid van de Minister en de Administratie om in gesprek te gaan met de ouderen en hun advies te vragen;
  • de bereidheid van de ouderen zelf om niet in hun persoonlijke naam te spreken en enkel klachten te formuleren.

Deze beide voorwaarden zijn beslist in grote mate vervuld, wat echter niet betekent dat er voor de toekomst geen verbeteringen wenselijk zijn.

In de loop van de laatste tien jaar hebben de politieke verantwoordelijken heel wat informatie verspreid over het beleid inzake pensioenen en de inkomensgarantie voor ouderen. Voor vele projecten, hervormingen en belangrijke discussiepunten voor de gepensioneerden werd het advies van de gepensioneerdenorganisaties gevraagd. Er vond binnen het Raadgevend comité vaak een interessante uitwisseling van standpunten plaats met de Minister of zijn vertegenwoordiger over het gevoerde of toekomstige beleid inzake pensioenen. Een minder voor de hand liggend aspect is te weten in welke mate de uitgebrachte adviezen ook effectief de politieke verantwoordelijken hebben beïnvloed. In de toekomst zou er misschien meer aandacht kunnen worden besteed aan de reacties van de Minister en de Administratie op adviezen uitgebracht door het Comité.

De ouderenorganisaties hebben de laatste tien jaar bewezen dat ze in staat zijn om op een constructieve manier samen te werken en dat ze een zeer brede consensus kunnen bereiken met betrekking tot een aantal centrale discussiepunten inzake het pensioenbeleid. Er moeten evenwel nog inspanningen worden geleverd om tot gemotiveerde adviezen te komen die via de organisaties het voorwerp zijn geweest van overleg binnen een grotere groep betrokken ouderen of die geformuleerd zijn naar aanleiding van concrete problemen waarmee de gepensioneerden geconfronteerd werden met betrekking tot hun pensioen.

We kunnen vaststellen dat men de laatste tien jaar aandacht begint te besteden aan de Europese context van het beleid inzake pensioenen, die enkel nog aan belang zal winnen. Er werden evenwel geen waarnemers afgevaardigd bij de adviesorganen opgericht in het kader van de Europese Unie, een taak waarmee het Comité tien jaar geleden werd belast.

Om te besluiten kan de volgende vraag worden gesteld: heeft het beleid inzake pensioenen het mogelijk gemaakt om de pensioenen gedurende de voorbije tien jaar te verbeteren en heeft het Raadgevend comité voor de pensioensector daartoe bijgedragen? Er is de voorbije tien jaar ongetwijfeld heel wat verwezenlijkt en het Comité heeft daar zeker toe bijgedragen.

Denken we even aan de volgende punten:

  • de invoering van het minimumrecht per kalenderjaar
  • de verhoging van het minimumpensioen voor de werknemers en de zelfstandigen en het gewaarborgd inkomen voor ouderen
  • de hervorming van het gewaarborgd inkomen voor ouderen in de inkomensgarantie voor ouderen (IGO)
  • de invoering van een welvaartsaanpassing voor de werknemers en de zelfstandigen
  • de verhoging van het minimumpensioen voor ambtenaren
  • een lastenverlaging voor de huishoudens met twee pensioenen voor alleenstaanden uit de privé-sector
  • een nieuwe verhoging van het minimumpensioen van de zelfstandigen en de IGO
  • de ingebruikname van een nieuw call-center en een gratis nummer om de contacten met de administratie der pensioenen te verbeteren en te vergemakkelijken

Enkele belangrijke adviezen van het Raadgevend comité voor de pensioensector zijn evenwel nog niet afgerond:

  • de definitieve regelgeving betreffende de toegelaten arbeid + een fiscale herziening van de toegelaten arbeid
  • de cumulatie van overlevingspensioenen met een vervangingsinkomen dat voortvloeit uit toegelaten arbeid
  • het herstel van de "automatische perequatie" van de pensioenen van de openbare sector
  • het nemen van een globale beslissing inzake de verschillende vermeerderingscoëfficiënten met betrekking tot het welvaartsaanpassingsmechanisme vanaf 2007

Desalniettemin blijft het Comité zich inzetten door het behoud van de wettelijke pensioenregeling naar de toekomst toe, met name door de invoering van een echte welvaartsaanpassing van de pensioenen.

Julien Geeroms, ondervoorzitter van het Raadgevend comité voor de pensioensector